Informatica lijkt niet zo sexy. Stel dat je het daarom voortaan Game Design wilt noemen, dan kan ik
daar in meegaan, als je twee dingen in de gaten houdt: 1) het nieuwe vak moet veel elementen bevatten van wat we nu eenmaal hebben vastgelegd in de eindtermen (en daar is wel aan tegemoet te komen) en 2) je zou het vak zo moeten aanpakken dat het de uitdagende en stimulerende werking van games zou kunnen evenaren. Ontkennen kun je het niet: goede games houden de kids bezig en niet alleen de kids.
Enfin, ik loop een beetje op de feiten vooruit. We moeten met de huidige stand van zaken gewoon hard eraan werken om het vak een nieuwe en betere positie te geven. Gaat het op je eigen school nu prima en merk je niets van de vreemde dingen die elders met informatica gebeuren: proficiat, maar het lijkt me niet verstandig te doen alsof er geen probleem bestaat. Informatica is gewoon kwetsbaarder dan veel andere vakken. Als een school het vak informatica opheft omdat de enige vakdocent afscheid neemt of omdat de school een andere vlag wil dragen, moet je serieus gaan nadenken over versterking van het vak en op een goede manier oppositie voeren.
Daarom nou het goede verhaal: er zijn de laatste maanden initiatieven genomen die het tij drastisch kunnen keren. Er wordt momenteel door enige grondleggers van CODI campagne gevoerd om informatica bij officiële instanties als belangrijk vak onder de aandacht te brengen. Prima initiatief natuurlijk, maar tegelijk een beetje treurig omdat we eind jaren negentig op hetzelfde aambeeld hebben geslagen.
Concreet zichtbaar zijn de regionale en nationale bijscholingen of cursussen bedoeld om je ofwel bij de ict-tijd te brengen of om je kennis up-to-date te houden. Een bekende is die van de UvA/VU, min of meer gericht op de regio Amsterdam, waarbij volgens een goed opgezet plan wekelijks bijscholing plaatsvindt. Twee (contact)uren per week gedurende twee jaar, dat zet zoden aan de dijk. De bijscholing vindt plaats op een soort van co-financieringsbasis: de school stelt uren beschikbaar en de universiteit neemt begeleidingskosten voor haar rekening. Ik zie dit als een van de betere pogingen om de informaticadocent structureel te steunen voor zijn beroepskwalificatie. Deskundigen van UvA en VU begeleiden docenten in dit bijscholingstraject, dat op deze wijze stevig gefundeerd is. Als je zo’n plan immers ruim van tevoren bekend maakt, weet de school wanneer de docent bijgeschoold wordt en zou je dit dus als een gemakkelijk te regelen bijscholing kunnen beschouwen.
Er zijn nog meer bijscholingsinitiatieven, zoals die van de TU Delft (Delft voor Docenten – DvD), van de Radboud Universiteit in Nijmegen en van de Technische Universiteit Eindhoven. Deze zouden ook een duurzamer karakter hebben. Er zullen er nog meer zijn en daar horen we hopelijk spoedig ook iets van. Daarnaast vinden op diverse plekken in het land regionale bijeenkomsten en docentendagen plaats. De Vereniging i&i houdt al jaren vier maal per jaar bijeenkomsten die elk jaar weer anders ingevuld worden. Deze hebben echter niet het karakter van structurele bijscholing.
Bijscholing is in het algemeen een ondergeschoven kind in het VO. Niet zozeer vanwege de kosten (een bijscholingsbedrag van minimaal EUR 500 per docent per jaar zou je normaal moeten vinden), vooral vanwege lesuitval en “het niet beschikbaar zijn”. Anders dan in het bedrijfsleven is in het VO bijscholing vaak weinig gericht op vakinhoudelijke kennisverwerving en –verbetering, maar meer op algemeen gestelde onderwijskundige doelen. Vakinhoudelijke bijscholing vindt daarom volgens mij meer plaats in de eigen uren en op vrijwillige basis.
Dat zou drastisch moeten veranderen. En daarvoor zijn we ook plannen aan het maken.
René Franquinet






