Informatica lijkt niet zo sexy. Stel dat je het daarom voortaan Game Design wilt noemen, dan kan ik daar in meegaan, als je twee dingen in de gaten houdt: 1) het nieuwe vak moet veel elementen bevatten van wat we nu eenmaal hebben vastgelegd in de eindtermen (en daar is wel aan tegemoet te komen) en 2) je zou het vak zo moeten aanpakken dat het de uitdagende en stimulerende werking van games zou kunnen evenaren. Ontkennen kun je het niet: goede games houden de kids bezig en niet alleen de kids.

Enfin, ik loop een beetje op de feiten vooruit. We moeten met de huidige stand van zaken gewoon hard eraan werken om het vak een nieuwe en betere positie te geven. Gaat het op je eigen school nu prima en merk je niets van de vreemde dingen die elders met informatica gebeuren: proficiat, maar het lijkt me niet verstandig te doen alsof er geen probleem bestaat. Informatica is gewoon kwetsbaarder dan veel andere vakken. Als een school het vak informatica opheft omdat de enige vakdocent afscheid neemt of omdat de school een andere vlag wil dragen, moet je serieus gaan nadenken over versterking van het vak en op een goede manier oppositie voeren.

Daarom nou het goede verhaal: er zijn de laatste maanden initiatieven genomen die het tij drastisch kunnen keren. Er wordt momenteel door enige grondleggers van CODI campagne gevoerd om informatica bij officiële instanties als belangrijk vak onder de aandacht te brengen. Prima initiatief natuurlijk, maar tegelijk een beetje treurig omdat we eind jaren negentig op hetzelfde aambeeld hebben geslagen.

Concreet zichtbaar zijn de regionale en nationale bijscholingen of cursussen bedoeld om je ofwel bij de ict-tijd te brengen of om je kennis up-to-date te houden. Een bekende is die van de UvA/VU, min of meer gericht op de regio Amsterdam, waarbij volgens een goed opgezet plan wekelijks bijscholing plaatsvindt. Twee (contact)uren per week gedurende twee jaar, dat zet zoden aan de dijk. De bijscholing vindt plaats op een soort van co-financieringsbasis: de school stelt uren beschikbaar en de universiteit neemt begeleidingskosten voor haar rekening. Ik zie dit als een van de betere pogingen om de informaticadocent structureel te steunen voor zijn beroepskwalificatie. Deskundigen van UvA en VU begeleiden docenten in dit bijscholingstraject, dat op deze wijze stevig gefundeerd is. Als je zo’n plan immers ruim van tevoren bekend maakt, weet de school wanneer de docent bijgeschoold wordt en zou je dit dus als een gemakkelijk te regelen bijscholing kunnen beschouwen.

Er zijn nog meer bijscholingsinitiatieven, zoals die van de TU Delft (Delft voor Docenten – DvD), van de Radboud Universiteit in Nijmegen en van de Technische Universiteit Eindhoven. Deze zouden ook een duurzamer karakter hebben. Er zullen er nog meer zijn en daar horen we hopelijk spoedig ook iets van. Daarnaast vinden op diverse plekken in het land regionale bijeenkomsten en docentendagen plaats. De Vereniging i&i houdt al jaren vier maal per jaar bijeenkomsten die elk jaar weer anders ingevuld worden. Deze hebben echter niet het karakter van structurele bijscholing.

Bijscholing is in het algemeen een ondergeschoven kind in het VO. Niet zozeer vanwege de kosten (een bijscholingsbedrag van minimaal EUR 500 per docent per jaar zou je normaal moeten vinden), vooral vanwege lesuitval en “het niet beschikbaar zijn”. Anders dan in het bedrijfsleven is in het VO bijscholing vaak weinig gericht op vakinhoudelijke kennisverwerving en –verbetering, maar meer op algemeen gestelde onderwijskundige doelen. Vakinhoudelijke bijscholing vindt daarom volgens mij meer plaats in de eigen uren en op vrijwillige basis.

Dat zou drastisch moeten veranderen. En daarvoor zijn we ook plannen aan het maken.

René Franquinet

De curieuze geschiedenis van CODI laat nog meer bijzonderheden en eigenaardigheden zien: het vak informatica is oorspronkelijk een keuzevak dat in alle profielen gekozen kan worden. Het is niet gekoppeld aan een bepaald profiel en kan in het vrije deel gekozen worden. Dat betekent dat het vak geschikt moet zijn voor alle soorten leerlingen, van uitgesproken alfa tot puur bèta en alles wat daartussenin zit. Dat betekent dus ook dat de docent dit vak moet aanbieden aan al deze typen leerlingen. Het lijkt daarmee een beetje op het gemengde brugklas-systeem, dat op den duur niet werkbaar bleek.

Voor het slagen van een leerling heeft het vrije-keuzevak daarom niet minder waarde: je moet er evenzogoed een voldoende voor halen, maar het is voor de leerlingen meer een vak dat ze uit interesse kiezen om extra uren mee te vullen. Soms ook wordt de keuze voor informatica gemaakt omdat men doorfluistert dat het niet zo moeilijk is en een voldoende er altijd wel in zit. Dit laatste zal slechts tijdelijk helpen, want bepaalde onderdelen van het vak zijn (als ze door de docent serieus behandeld worden) van dien aard dat er hard voor gestudeerd en gewerkt moet worden om een 6 te halen. Ook is er in het geheel gezien een gezonde dosis logisch en structureel denken voor nodig.

Bij de herziening van het programma voor de Tweede Fase in 2007 zijn er twee dingen gebeurd: het aantal uren ging omhoog en het vak kreeg de status van advieskeuzevak voor het profiel NT. Dat laatste nu is een merkwaardige zet: hoe kun je een vak dat van origine voor alle profielen geschikt moet zijn, een advieskeuzestatus geven voor een uitgesproken
bèta-profiel? Dat kan feitelijk alleen als je er aparte klassen voor kunt maken met een apart, meer bèta-georiënteerd lesprogramma. Dat is een utopische situatie en ze komt naar mijn weten dan ook niet voor. Zou je het toch per se willen, vraag dan maar aan de rekenfreak onder de directieleden wat zo’n klas apart extra kost en ga dan eventueel op zoek naar een sponsor.

Deze stap heeft de vraag naar de status van het vak dwingender gemaakt. Iedereen was en is ervan overtuigd dat ict en informatica niet meer uit het moderne leven weg te denken zijn, maar welke rol speelt informatica in de bovenbouw van het Havo en Vwo nou daarin? Hoe kun je een vak, dat door geen enkele vervolgopleiding als noodzakelijk voor toelating tot een bepaalde studie omschreven wordt, zodanig verkopen dat het die indruk wel wekt? Een briljante leerling in de bovenbouw van het Vwo kan een briljante informaticus worden zonder het vak in de bovenbouw gevolgd te hebben. Dat deze vergelijking scheef gaat, begrijp ik ook wel, want een chirurg, advocaat, piloot &c heeft ook niet meteen een voorspecialisatie op het VO gevolgd.

René Franquinet

(wordt nog één keer vervolgd)

Afgelopen najaar heb ik een project ingediend bij Microsoft Partners in Learning. Sinds 2003 organiseert Microsoft wereldwijd dit programma waar innovatieve leerkrachten uitgedaagd worden om hun projecten in te dienen. In december 2010 hoorde ik dat ik samen met 9 andere Nederlandse projecten genomineerd was en mijn project mocht presenteren in Londen. Dit was de Nederlandse finale maar deze werd in Londen gehouden vanwege de grote ict- en onderwijshappening BETT2011 en het daaraan gekoppelde studieprogramma ITEM. Tot mijn vreugde kreeg het project zoveel stemmen dat ik door mocht naar de Europese finale in Moskou. Medio maart was het zover, drie Nederlandse projecten mochten naar het Innovative Education Forum in Moskou om daar hun projecten te presenteren. In totaal 86 projecten uit meer dan 40 Europese landen presenteerden zich tijdens het IEF. Het is een bijzondere ervaring om met zoveel leerkrachten uit zoveel verschillende landen bijeen te zijn en ervaringen uit te wisselen. Wanneer je met een leerkracht uit Moldavië hebt gesproken besef je weer hoe goed de ict-infrastructuur hier in Nederland is.

Deze slideshow heeft JavaScript nodig.

Behalve de presentaties, de interviews door de juryleden en het netwerken waren er ook verschillende interessante keynotes en workshops om te volgen. Ik heb een geweldige week gehad in Moskou met veel bijzondere ervaringen. Tijdens de afsluitende gala-avond hoorde ik dat ik als runner-up in de categorie ‘collaboration’ door mag naar de wereldwijde finale in Washington dit najaar. Ook leerkracht Harald Dikkers die een geweldig project heeft rondom het werken met Kodu mag door naar de wereldfinale in Washington. Mijn project ging overigens over het organiseren van een reisbureau in je klas. Vijf weken lang hebben we twee middagen per week reisadviezen gegeven aan mensen die een stedentrip wilden maken naar een Europese stad compleet met kostenberekening, flyers, wat-en-hoe-gidsjes, video’s enz. Mocht je er meer over willen weten bezoek dan het weblog van Reisbureau Beartravel.

Tessa van Zadelhoff

We waren niet de jongsten toen we begonnen aan de cursus eerstegraadsdocent informatica. De gemiddelde leeftijd van de cursisten bij aanvang van de CODI-opleiding was 43 jaar. Het Consortium Omscholing Docenten Informatica moet destijds wel heel optimistisch geweest zijn wat de vervanging van de ongeveer 330 docenten betreft. Gemiddeld is de groep nu zo’n 53 jaar. Ik weet niet hoeveel er nog over is van het opgeleide aantal, maar ik weet zeker dat de informaticadocenten die het onderwijs inmiddels hebben verlaten, niet allemaal vervangen zijn. Wat is hier het probleem? Vanaf 2004 is er geen enkele docent informatica à la CODI meer opgeleid. In 2007 werd het consortium opgeheven. Omdat men intussen wel besefte dat fouragering via een jongere groep docenten nodig was, is in 2008 bij OCW verzocht een nieuwe groep docenten om te scholen. Maar diverse universiteiten hadden al voorbereidingen getroffen voor een reguliere opleiding tot eerstegraadsdocent informatica. Dus OCW’s antwoord was voorspelbaar. Die opleiding is nu op vijf plekken mogelijk, dacht ik. Dus je zou vermoeden dat hieruit, vóórdat de huidige groep voor het grootste deel het onderwijs verlaten heeft, genoeg aanwas plaatsvindt om informatica als vak in de bovenbouw van het VO te garanderen.

Dat is niet het geval. Slechts mondjesmaat komen er informaticastudenten met de juiste papieren in het VO terecht. Zo heb ik het geluk gehad een “authentieke” vervanger te vinden, die een opleiding in Utrecht achter de rug had en op mijn school verder zijn onderwijsbevoegdheid haalde. Was het met die vervanging maar overal zo gemakkelijk gesteld. Ik kan me voorstellen dat de beginsalarissen die het bedrijfsleven biedt, met de soms forse groei die daarin zit, jonge informatici aanlokkelijker lijken dan de stroperige salarisopbouw in het functiebouwwerk van een school. Van de andere kant biedt een school, zeker wat informatica betreft, een vruchtbare voedingsbodem voor uitstapjes in de boeiende wereld van ict.

De topic van deze blog is dus de vervanging. Nog wat cijfers: de enquête die ik in juni/juli van 2010 onder informaticadocenten heb gehouden, leverde onder meer het volgende op. Er deden 105 m’s mee en 13 v’s (waar hebben we die verhouding eerder gezien?). Gemiddelde leeftijd: 51½ jaar (tegenover 45 in het VO in het algemeen). Directies combineren geregeld klassen om het betaalbaar te maken. 20% van de huidige groep zal binnen vijf jaar vertrokken zijn; 80% binnen tien jaar. Meer dan 40% van de respondenten denkt dat de directie het vak zal opheffen als er geen vervanging van docent plaatsvindt. Heb je dat wel eens van Engels of wiskunde gehoord? In bijna 70% van de gevallen staat een docent informatica er alleen voor op zijn school.

René Franquinet

(wordt vervolgd)

In de vorige twee blogs heb ik al wat cijfers genoemd die te maken hebben met de CODI-opleiding waar het merendeel van de informaticadocenten rond de eeuwwisseling zijn bevoegdheid aan te danken heeft. Er waren destijds 304 mannen en 32 vrouwen bij betrokken. Deze verhouding is heel typisch: ongeveer 1 op 11. Diezelfde verhouding zie je tussen mannen en vrouwen in hogere ict-opleidingen en –beroepen. Die ratio is in Nederland bedroevend laag. Ze ligt in de ons omringende landen en zeker in de Scandinavische lager. Vaak zag en zie je zo’n verhouding ook terug in de klas: 1, 2 of 3 meisjes op 20 leerlingen. Informaticadocenten die me meedeelden dat de helft van een of meer van hun klassen uit meisjes bestonden, waren er weinig. Ik moet natuurlijk voorzichtig zijn met zulke uitspraken, want het kan heel goed zijn dat het de laatste tijd beter gaat. Hopelijk zal die verhouding dus evenwichtiger worden, omdat ze ook te maken heeft met de veelzijdigheid die informatica als vak vertegenwoordigt.

Van de opgeleide docenten waren er bij aanvang 191 eerstegraads en 145 tweedegraads. Ook dit is een bijzonder verschijnsel: je hoopt dat je eerstegraadsdocenten informatica kweekt uit een vijver van eerstegraads- en tweedegraadsdocenten van allerlei vakken (zie blog 2). Waarom benadruk ik dit verschijnsel? Niet zozeer omdat ik niet geloof dat je van tweedegraadsdocenten eerstegraads kunt maken, maar omdat dit blijkbaar in de filosofie van het opleidingsconsortium gelegen moet hebben. De NLT-commissie moet in haar visie ten aanzien van het nog nieuwere vak NLT andere uitgangspunten gehad hebben.

De informatica-opleiding duurde twee jaar en moest gedurende die twee jaar één dag per week gevolgd worden. Ik tel daarbij niet de uren/dagen die je aan zelfstudie moest besteden. Ik meen dat 32 studiepunten gerealiseerd moesten worden, terwijl er oorspronkelijk 40 gepland waren. Door de gewoonlijk drukke werkzaamheden die een fulltime doorsnee-docent op school heeft, werd de studie in het algemeen als zwaar ervaren. Ik verkeerde zelf in de gelukkige omstandigheid dat ik een aantal jaren eerder mijn fulltime-baan in het VO omgezet had in een parttime-baan van 2/3 fte. Daardoor had ik meer studieruimte. Ik heb de studie misschien daarom niet als zwaar ervaren en vond zelfs dat het behalen van een eerstegraadsbevoegdheid op deze basis een makkie was.

In mijn volgende blog nog meer getallen, deze keer uit een enquête die ik in juni en juli van vorig jaar via mijn Vereniging i&i onder informaticadocenten heb afgenomen. De enquête was vooral gericht op de huidige stand van zaken van het vak.

René Franquinet

(wordt vervolgd)

De docenten die vanaf 1998 gerecruteerd werden tot eerstegraadsdocenten informatica, waren van allerlei pluimage. Bijna 55% had een of meer bevoegdheden in vakken die als bètavakken aangeduid kunnen worden, 14% in de talen en 31% in zaakvakken. Het contingent informaticadocenten, zo tegen 2004 allemaal geschoold en werkzaam als bevoegd docent informatica in het VO, vormde en vormt dus een bont geheel. Het is logisch dat het eerste vak of de eerste vakken waarin een docent opgeleid en gevormd is, zijn of haar visie op het nieuwe vak behoorlijk kleurt. Een talendocent die informatica, waaraan vooral de universiteiten de eis stelden dat je er een exacte vooropleiding voor gehad moest hebben, aan leerlingen moest “verkopen”, zal niet elke les met programmeren of netwerkprotocollen bezig geweest zijn.

In de loop van de jaren kon je waarnemen dat de lessen van de docenten uit de alfa- en gammahoek vooral met de meer sociaal en creatief gerichte aspecten van informatica te maken hadden. Natuurlijk werd er van uitgegaan dat logisch en gestructureerd denken voor een docent informatica, ongeacht zijn vooropleiding, in ieder geval noodzakelijk zijn, maar een instaptoets in die richting hoefde niet gemaakt te worden. Persoonlijk vind ik dit een gemis, omdat de diversiteit van het informatica-docentencorps door die nogal uiteenlopende opleidingskleuren, erg groot geworden is. Op zich hoeft diversiteit niet kwalijk te zijn, zeker niet voor een kleurrijk vak als informatica. Ze zou zelfs heel gunstig kunnen werken, maar je zou kunnen spreken van teveel afzonderlijke zuiltjes waardoor een fundamentele, gemeenschappelijke aanpak wat zoek is.

Toen het vak informatica in de jaren tusen 2000 en 2010 verder tot ontwikkeling kwam en de sterke en zwakke punten zichtbaar werden, was duidelijk dat de docent informatica in het VO een sterke behoefte had en heeft aan bijscholing. Niet de bijscholing die uit het bezoeken van een conferentie bestaat, maar degelijke, op herhaling gebaseerde bijscholing was noodzakelijk. Vaak is de docent informatica de enige in zijn sectie op een school. Hij kan dus niet even gauw overleggen met een collega over stof, toetsing, didactische aanpak e.d. Dat maakt bijeenkomsten van informaticadocenten des te belangrijker en dringender. De laatste tijd wordt daar regionaal meer aandacht aan geschonken, zij het met stofaanbod dat het bestaande nog eens opfrist, zij het met uitleg over en scholing in recente ontwikkelingen van informatica.

René Franquinet

(wordt vervolgd)

Als een kind uit de andere klas binnenkwam met het verzoek de potloden te slijpen, dan wist je het: de inspecteur is in de school. Dat vertelde een gepensioneerde onderwijzeres me. In Volendam stond de onderwijsinspecteur in de jaren zestig verdacht opgesteld voor de school en noteerde hij de leerkrachten die net voor de bel binnen kwamen.

De inspecteur ging achter in de klas zitten. Stak eventueel een milde sigaar op (er werd toen nog wat afgerookt in de klas) en maakte wat aantekeningen. Ja, dat waren tijden. In tien jaar voortgezet onderwijs heb ik als leraar maar een keer een inspecteur gezien. Dat was bij de opening van onze nieuwe school, waar hij de minister vertegenwoordigde. Hij scheen vooral langs te komen om de bevoegdheden van de docenten te controleren. Er is de afgelopen 40 jaar veel gebeurd met de onderwijsinspectie. Na de periode strenge, paternalistische,  maar rechtvaardige inspectie, kregen we de betrokken en meedenkende inspectie. Het was ook het moment dat allerlei goeie departementsmensen als Léon Henkes en Ferry de Rijcke, voorheen directe ICT-adviseurs van de minister, de overstap maakten. Léon vertelde me eens van zijn vader die hoofdonderwijzer was in Limburg. Als hij boerenzonen had die goed konden leren dan ging hij langs bij de boerderij en bezwoer hij de vaders dat hun kind moesten doorleren. Ook mensen als Pieter Hoogenbirk en Peter Baak maakten de overstap naar de inspectie.

Er lijkt wel wat gebeurd sinds de huidige inspecteur-generaal mevrouw Annette Roeters is aangetreden. De voornamelijk bestuurlijke carriere van deze Neerlandica (taalbeheersing) in het hoger onderwijs bezorgt je sowieso niet direct een erg warm gevoel. Het zoeken naar zwakke en zeer zwakke scholen lijkt het ultieme doel van de inspectie geworden. De regering wil zwakke scholen voortaan straffen met een boete. Léon (nu hoofdinspecteur primair onderwijs) wat is er in je gevaren? De Tweede Kamer moet daarover dezer dagen oordelen. Het is een wanstaltig plan dat alleen in een autoritaire staat thuishoort, vindt hoogleraar Evelien Tonkes in een uitstekend stuk in de Volkskrant van 30 maart j.l. waarin ze een aantal ballonnen van inspecteur-generaal mevrouw Roeters doorprikt.
Onze meting is te grof, maar scholen gaan na een negatieve evaluatie bijna altijd beter scoren, zegt Roeters, dus het werkt. Maar beter scoren is iets anders dan beter les geven stelt prof.Tonkes terecht. Als je al het maximale uit kinderen hebt gehaald, kun je de scores alleen nog omhoog krijgen door noodgrepen. Toetstraining bijvoorbeeld. Of minder tijd voor sociale vaardigheden, ten gunste van rekenen en taal. Onzin, vindt Roeters: scholen die goed zijn in rekenen en taal zijn ook goed in sociale vaardigheden. Een brutale uitspraak, stelt Tonkes want sociale vaardigheden neemt de inspectie niet mee in haar oordeel.

Het valt te hopen dat inspecteur-generaal Annette Roeters nog even blijft bij de onderwijsinspectie want haar afscheidfeestje als bestuurder bij Windesheim in 2008 kostte volgens de site van de Hogeschool Utrecht zo’n 113.000 euro. Het bestuur van Windesheim riep op tot matiging in het vervolg.
Jan Lepeltak

Eind vorige week was ik aanwezig bij een ontbijt van de its academy op het Adriaan Roland Holst College (ARHC) in Hilversum. De its academy/Betapartners is een samenwerkingsverband van de UvA, VU, HvA, Inholland en zo’n 25 VO-scholen uit de regio. Zij werken samen op het gebied van de exacte vakken (natuurkunde. NLT, informatica en wiskunde D). Dat gebeurt vaak per cluster scholen zoals in het Gooi.

De bijeenkomst was geïnitieerd door Pauline Vos (UvA) en georganiseerd door de wiskundedocenten Luuk Koens van het (ARHC) en Kees Temme van het Gemeentelijk Gymnasium Hilversum. Daarnaast waren er leerlingen en docenten van het Alberdingk Thijm College in Hilversum, het Comenius College, SG Laar en Berg en het Stedelijk Gymnasium Hilversum. Het thema was de ervaringen met wiskunde D in e-klassen en webcolleges.
Megan van Beek (16), leerling van 5 vwo, stal de show met haar presentatie over logica (wiskunde D), zie foto. Op enthousiaste en glasheldere wijze vertelde ze over de e-lessen en  ‘de wiskunde van het woord’  (logica). De digitale lessen waren voor haar een boek en een kleine leraar te gelijk. Voor ’de nieuwe tijd kinderen’, zoals Megan zich nadrukkelijk noemde, was dit het onderwijs van de toekomst.

Het was (gelukkig?) niet allemaal wiskunde wat de klok sloeg, het ontbijt werd afgesloten met koffie en verse, door de leerlingen zelf gebakken, appeltaart.

Jan Lepeltak

Onlangs las ik een profiel van defensieminister Hillen. Blijkt dat hij in de jaren zeventig  leraar maatschappijleer was op het Nieuwe Lyceum in Hilversum toen ik daar als student hospiteerde voor mijn onderwijsbevoegdheid.

Je moest in die tijd minimaal 20 uur zelf les hebben gegeven en ook nog vakdidactiek en algemene didactiek colleges hebben gevolgd voor het halen van je onderwijsbevoegdheid.

Het Nieuwe Lyceum is ook de school waar Helge Bonset in de jaren ’60 les had gegeven voordat hij als ‘kritische leraar’ werd ontslagen omdat hij Tjeempie van Remco Campert met zijn leerlingen las. Bonset werd bekend als schrijver van het boekje Nooit met je rug naar de klas waarin ondergetekende nog optreedt als 17-jarige scholier- demonstratieleider samen met o.a. Wouter van Oorschot.

Het Nieuwe Lyceum kende een kritisch publiek dat bestond uit keurige jongens en meisjes. De jongens in gestreken grijze pantalon met pullover en buttondown shirt. Zo kom maar op, was hun kritische maar niet onwelwillende houding.  Ik weet niet meer precies wat ik daar allemaal heb gegeven, behalve een les over de dichter Bloem met het gedicht Domweg gelukkig in de Dapperstraat.  Dat gedicht met als titel die grauwe straat in Amsterdam-Oost behandelen leek me daar wel gepast.

Ik verheugde me al dagen van te voren op de lessen die ik toen als drieëntwintigjarige geven mocht. Het was niet eenvoudig, je werd flink op de proef gesteld.

Als we van de lerarenkamer naar zijn klaslokaal liepen merkte je dat dit mijn mentor de heer Wolken een man was die gezag en respect afdwong. Leerlingen zeiden hem netjes goeie dag en geen grapjes verder.

Onlangs vond ik een met de hand geschreven eindrapport van mijn mentor terug. Wolken leek fysiek veel op de bekende profielfoto van Multatuli (inclusief snor). Mijn allereerste lessen verliepen moeizaam. Als ik zijn analyse (SWOT zouden we nu zeggen) herlees, valt mij op hoe scherp hij mijn optreden zag.

Hij was behoorlijk kritisch (‘zou u iets aan uw Amsterdamse accent kunnen doen?’) maar zijn slotopmerkingen in het mentorenverslag gaven mij moed: “.. ik meen te mogen concluderen dat hij de orde wel zal kunnen beheersen. Hij is niet bang, hij is niet te veel introvert, en de zaak gaat hem ter harte. “

De heer Wolken (aan tutoyeren deden we niet) gaf mij in vertrouwen de volgende eenvoudige tip. Als hij een klas voor de eerste keer had gooide hij soms een spreekwoordelijke granaat in de klas (hij werd buitengewoon boos): “Dan is het heel stil en rustig en langzaam laat ik gedurende het jaar de teugels vieren”. Ik vond dat maar zo zo, maar de eerlijkheid gebied te zeggen dat ik enkele jaren later, toen ik zelf begon met lesgeven, menigmaal naar de granaat greep.

Jan Lepeltak

Aan mensen die niet twitteren is het nut van Twitter best lastig uit te leggen. Velen hebben de indruk dat het een onzinnig tijdverdrijf is, dat je constant allerlei triviale feiten de wijde wereld instuurt en dat het een inbreuk is op je privacy. En, eerlijk is eerlijk, dat kan inderdaad het geval zijn. Maar als je Twitter op een andere manier inzet is het een geweldige mogelijkheid om je sociale netwerk uit te breiden. Steeds meer leerkrachten, docenten, ictcoördinatoren, schoolleiders, leerlingen en aan het onderwijs gerelateerde organisaties zijn op Twitter te vinden. Volg de juiste mensen en je zult al snel de voordelen ervaren. Je Twitternetwerk heeft antwoord op je vragen, steunt je in goede en slechte tijden, laat je delen in expertise die zij hebben, houdt je op de hoogte van het nieuws, leest je blogs en helpt je bij projecten en zo kan ik nog even doorgaan. In het volgende filmpje wordt het nut van Twitter nog eens uitgelegd.

Nancy White & Suzy – An Intro to Twitter from CommunityMatters on Vimeo.

 
Vandaag kwam een van de negatieve kanten van Twitter in het nieuws. Leerlingen gebruiken Twitter om elkaar op te roepen voor een ‘fitti’. Fitti betekent zoiets als gevecht. Op een aantal scholen voor Voortgezet Onderwijs is dit al aardig uit de hand gelopen. Het televisieprogramma Een Vandaag besteedde er aandacht aan. De reportage geeft naar mijn idee aan dat het belangrijk is dat docenten op de hoogte zijn van de positieve en negatieve mogelijkheden van sociale media als Twitter. Remco Pijpers van de Stichting Mijn Kind Online geeft het in het fragment heel goed aan. Docenten moeten praten met hun leerlingen over de mogelijkheden en gevaren van sociale media. Voor jongeren is er geen verschil tussen de virtuele en de echte wereld.

Volg Lepeltak en Partners op Twitter via @L_en_P

@warempel

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.